De wieken
"De wieken slaan met machtige halen over het land. De zeilen op de hekwerken klapperen in de wind. Het gezoef van het wiekenkruis suist in de oren..."
Als u goed kijkt naar de wieken van een molen, ziet u dat die zijn samengesteld uit twee zware balken, een lattenstelsel aan de ene zijde en een doorgaande zware plank aan de andere. In vaktaal heten deze zware balken de roeden (1). Het lattenstelsel bestaat uit
heklatten (5) met de midden - en achterzomer (4) en een doorgaande houten rand aan de andere zijde van de
roede, de voorzomer (2). Het houten lattenstelsel - het hekwerk - heeft een bepaalde kromming, de
zeeg, opdat de wind zo optimaal mogelijk wordt benut. De windenergie wordt hierdoor omgezet in een draaibeweging. Aan de voorkant van de roede is een aantal
planken, stormborden, aangebracht. Daardoor wordt de luchtweerstand van de dikke roeden enigszins gebroken. Om de snelheid van draaien
te kunnen bepalen, heeft de molenaar zeilen tot zijn beschikking. Wanneer de molen niet draait, zijn deze in de lengte opgerold en om de roeden vastgemaakt. Afhankelijk van de wind zal de molenaar de zeilen al
dan niet volledig uitrollen en op het latwerk
vastzette. Bij veel wind is het niet nodig de zeilen te gebruiken.
De wieken zetten de windkracht om in een draaibeweging. Een wiek bestaat uit een stalen balk, de roede (1), een houten lattenstelsel, tussenzomers (3), achterzomer (4) en heklatten (5) aan de ene zijde en voorzomer (2) aan de andere zijde.
Sponsor SNS Fonds Gelderland  |